Research naseeb.nl

Qiwāmah: het gezag van de man tussen bevoegdheden en verantwoordelijkheden

17 oktober 2026, 15 pagina’s, v3

Lees hier de PDF versie

Het gezin vormt de primaire bouwsteen waaruit de samenleving is opgebouwd. De toestand en de stabiliteit van een gemeenschap hangen daarom in belangrijke mate samen met de rechtschapenheid en cohesie van het gezin en, derhalve, de bekwaamheid van zijn leiderschap. Het is dan ook niet vreemd dat de Islamitische wetgeving uitvoerig aandacht besteedt aan de verduidelijking en uiteenzetting hiervan.

Het gezin kan beschouwd worden als een koninkrijk in het klein: het vereist een gezonde rol- en taakverdeling conform de natuurlijke aanleg, geleid door een capabel bestuur dat beschikt over zowel de bevoegdheden om te leiden als de verantwoordelijkheid om die bevoegdheden te dragen. Dit bestuur wordt binnen de islamitische wet qiwāmah genoemd, wat in het Nederlands ‘gezag’ betekent, genomen uit de Uitspraak van Allāh (vert.):

“De mannen zijn gezaghebbers (qawwāmūn) over de vrouwen, omdat Allāh de een boven de ander heeft verheven en omdat zij uitgeven van hun eigendommen.”1

Qiwāmah قِوَامَة

Het gezag van de echtgenoot over zijn echtgenote in het huwelijk, waarbij hij verschillende bestuurlijke bevoegdheden (zoals leiden, bevelen, beslissen en disciplineren) en verantwoordelijkheden (zoals onderhoud, zorg, bescherming, belangenbehartiging) draagt.

ق - و - م

“rechtop staan, standvastig staan”

1 Taalkundig

Het woord qiwāmah is afkomstig van de wortel [ق - و - م], wat duidt op ‘het rechtop staan en standvastig zijn’, en het keert terug naar het werkwoord qāma [قَامَ], wat ‘staan’ betekent. Het hieruit voortkomende overgankelijke werkwoord qawwama [قَوَّمَ] duidt op het recht maken en corrigeren. De qiwām [قِوَام] van iets is de ordening, pilaar en grondslag ervan, en een man wordt qiwāmu ahli baytih (de pilaar van zijn gezin) genoemd omdat hij hun zaken in stand houdt en beheert. En qiwāmah houdt in: het beheer, toezicht en/of gezag voeren over een zaak of bezit.2 De taalkundige Ibn Manẓūr zei in Lisān al-ʿArab: “De qayyim van een vrouw is haar echtgenoot, want hij voert beheer over haar zaak en over datgene wat ze nodig heeft.”3

2 Islamitisch-wettelijk

In de islamitische wet heeft de term qiwāmah – wat in de huwelijkscontext ook wel qiwāmah zawjiyyah (huwelijksgezag) wordt genoemd4 – een specifiekere betekenis. De qiwāmah is volgens de islamitische wet een gedelegeerde gezagspositie, op grond waarvan aan de man wordt toevertrouwd om datgene te verrichten wat de aangelegenheden van de vrouw op orde stelt: haar te leiden, haar te disciplineren, haar te beschermen, voor haar te zorgen en haar aangelegenheden te beheren. Dit betekent geenszins dat de man de vrouw mag onderdrukken of haar onrecht mag aandoen.5 Deze betekenis is uitgebreid vermeld door de tafsīrgeleerden en de wetgeleerden (fuqahāʾ) bij het voorgenoemde vers in Sūrat an-Nisāʾ 4:34, waar Allāh zei (vert.):

“De mannen zijn gezaghebbers (qawwāmūn) over de vrouwen, omdat Allāh de een boven de ander heeft verheven en omdat zij uitgeven van hun eigendommen. De rechtschapen vrouwen zijn dan ook toegewijd gehoorzaam, wakend over de afwezigheid (van hun echtgenoot) met wat Allāh beschermd heeft. En degenen van wie jullie opstandigheid vrezen, vermaan hen dan, vermijd hen in de bedden en sla hen. Als zij jullie vervolgens gehoorzamen, zoek dan geen weg tegen hen. Voorwaar, Allāh is altijd Hoog, Groot.”

Dit vers vormt het primaire bewijs inzake qiwāmah. Voordat we kijken naar de uitspraken van verschillende tafsīrgeleerden, is het belangrijk om een omvattend begrip te krijgen van het mannelijke gezaghebberschap binnen de islamitische leer. Daarvoor kijken we naar de volgende uitgebreide paragraaf in het boek at-Tafsīr wa’l-Bayān li Aḥkām al-Qurʾān:

3 Het gezag (qiwāmah) van mannen over vrouwen

In het vers ligt een bewijs dat de man gezag (qiwāmah) en voogdij (wilāyah) over de vrouw draagt. Dit is niet uitsluitend van toepassing binnen het huwelijk, maar geldt algemeen voor mannen en vrouwen, vanwege de algemene strekking van het vers. Wanneer een vrouw geen echtgenoot heeft, neemt haar nauwste mannelijke bloedverwant haar aangelegenheden op zich. Heeft zij wel een echtgenoot, dan heeft hij het meeste recht op qiwāmah over haar.

Gezag (qiwāmah) en voogdij (wilāyah) komen uitsluitend toe aan degene die aan de voorwaarden ervan voldoet, niet aan degene die deze veronachtzaamt of niet in staat is eraan te voldoen. Het gezag gaat daarom over van degene die de voorwaarden ervan veronachtzaamt naar degene die daartoe in staat is en ze vervult. Eén man kan het gezag over meerdere vrouwen dragen, hoe talrijk zij ook zijn, zoals een man dat over zijn dochters of echtgenotes draagt. In de overlevering staat dat de Profeet ﷺ zei:

“Totdat vijftig vrouwen één qayyim (gezagsdrager) zullen hebben.”6

4 Soorten gezag (qiwāmah) en voogdij (wilāyah)

Gezag en voogdij over personen zijn in beginsel van twee soorten:

  • algemeen gezag (qiwāmah ʿāmmah) en algemene voogdij (wilāyah ʿāmmah);

  • specifiek gezag (qiwāmah khāṣṣah) en specifieke voogdij (wilāyah khāṣṣah).

De eerste soort, de algemene voogdij, geldt over degene die niet in staat is ook maar iets van zijn eigen aangelegenheden te behartigen, zoals een kind, een krankzinnige of een gevangene. De tweede soort, het specifieke gezag en de specifieke voogdij, geldt over degene die wel in staat is zijn eigen aangelegenheden te behartigen, maar zwak is of niet in staat is een specifieke aangelegenheid zelf te behartigen, zoals een vrouw met betrekking tot haar huwelijk en haar onderhoud, en een wees met betrekking tot zijn vermogen.

5 De wijsheid achter het gezag van de man over de vrouw

Het gezag (qiwāmah) over de vrouw vormt een aanvulling op de rechten die haar zouden ontgaan wanneer zij volledig op zichzelf aangewezen zou zijn. Het gezag van de man over de vrouw komt vooral tot uiting wanneer zij met mannen te maken moet hebben. Daarom is het haar verboden zonder maḥram te reizen, zich met een man af te zonderen of zich vrijelijk onder hen te mengen. Tegenover een man die geen verwant van haar is, is de vrouw vanwege haar schaamtegevoel kwetsbaarder. Ook zijn een man en een vrouw die vreemden van elkaar zijn kwetsbaar tegenover elkaar, vanwege de natuurlijke neiging van beide geslachten tot elkaar. Hierdoor kunnen financiële rechten, huwelijksrechten en andere rechten onder het mom van gevoelens of emoties verloren gaan.

Wanneer gevoelens of emoties aanwezig zijn, kan het verstand naar de achtergrond verdwijnen en kan rechtvaardigheid verloren gaan. Daarom heeft Allāh voor haar bij het huwelijk een voogd aangesteld die tegenover de man niet door zulke gevoelens of emoties wordt beïnvloed. Hij beschermt haar recht op haar bruidsschat, haar keuze van een echtgenoot en haar huwelijksvoorwaarden. Als vrouwen zelf met mannen een huwelijksovereenkomst mochten sluiten, zouden hun rechten verloren gaan. Daarom heeft Allāh tussen beiden een voogd geplaatst die datgene behartigt wat haar door haar gevoelens tegenover een vreemde man zou kunnen ontgaan.

Wanneer haar voogd haar uithuwelijkt, gaat het gezag (qiwāmah) over op haar echtgenoot. Voor haar huwelijk had zij immers een gezagsdrager nodig om haar huwelijksaangelegenheden met hem te behartigen. Vóór het sluiten van het huwelijk is de echtgenoot een vreemde, maar daarna is hij een naaste die haar rechten beschermt en zorg draagt voor haar belangen.

De Uitspraak van Allāh (vert.): “De mannen zijn gezaghebbers over de vrouwen,”7 betekent: zij zijn bevelhebbers tot de waarheid en de gehoorzaamheid aan Allāh. De echtgenote moet daarom haar echtgenoot gehoorzamen en zijn eigendom, zijn verbond, zijn kinderen en zijn huis beschermen, en zijn familie en ouders goed behandelen. ʿAlī ibn Abī Ṭalḥah heeft van Ibn ʿAbbās overgeleverd dat hij zei (over het vers): ‘Zij moet hem gehoorzamen in hetgeen Allāh haar aan gehoorzaamheid jegens hem heeft opgedragen. Haar gehoorzaamheid houdt in dat zij zijn familie goed behandelt en zijn vermogen beschermt. Allāh heeft hem boven haar verheven vanwege zijn financiële onderhoud en zijn inspanningen.’8 Hetzelfde werd vermeld door aḍ-Ḍaḥḥāk (ibn Muzāḥim).9

6 Bevelhebberschap (imārah) en gezag (qiwāmah) zijn een verantwoordelijkheid

Bevelhebberschap is in beginsel een opgelegde verantwoordelijkheid, geen onderscheiding of privilege, want de lasten ervan zijn groter dan de baten. Daarom waarschuwt de islamitische wet ervoor om gezag na te streven en ernaar te verlangen. In beginsel zullen gezagsdragers worden opgewekt met hun handen aan hun nek geketend, totdat hun rechtvaardigheid en goedheid jegens degenen die onder hun gezag stonden, zijn gebleken.

Een volledig handelingsbekwame man oefent voogdij uit over een volledig handelingsbekwame vrouw, niet andersom. Een vrouw kan echter wel voogdij uitoefenen over een man met een beperkte handelingsbekwaamheid, zoals een kind, gevangene of zieke. En naarmate de man ergens niet toe in staat is, neemt de vrouw dit van hem over, behalve in zaken die de islamitische wet uitdrukkelijk heeft uitgezonderd. Ook kan een vrouw voogdij uitoefenen over een volledig of beperkt handelingsbekwame vrouw, behalve in zaken die de islamitische wet heeft uitgezonderd, zoals het huwelijk. Een moeder kan haar dochter niet uithuwelijken, omdat zij evenmin bevoegd is zichzelf uit te huwelijken.

7 De natuurlijke aanleg die Allāh beide geslachten heeft gegeven

De Uitspraak van Allāh (vert.): ‘omdat Allāh de een boven de ander heeft verheven (faḍḍala),’ – Allāh heeft ieder geslacht volgens een bepaalde natuurlijke aanleg geschapen en elk van beide geslachten bijzondere eigenschappen gegeven die het andere niet bezit. De man bezit aangeboren eigenschappen van kracht, geduld en een sterkere lichaamsbouw die de vrouw niet in dezelfde mate bezit. De vrouw bezit genade, tederheid jegens het kind en geduld bij de verzorging ervan die de man niet in dezelfde mate bezit. Ieder geslacht bezit dus een voortreffelijkheid die het andere niet bezit. Hierover zei Allāh (vert.):

“En verlang niet naar datgene waarmee Allāh sommigen van jullie boven anderen heeft verheven. Voor de mannen is er een aandeel van hetgeen zij hebben verworven en voor de vrouwen is er een aandeel van hetgeen zij hebben verworven.”10

8 Het verschil in voortreffelijkheid tussen beide geslachten

Met voortreffelijkheid (faḍl) wordt een vermeerdering (ziyādah) bedoeld, het tegenovergestelde van een tekort. Het meervoud is fuḍūl. Het betekent hier: datgene waarmee Allāh sommigen boven anderen heeft verheven. Omdat de context gaat over het voorrang verlenen aan de man bij het gezaghebberschap en de voogdij, wordt hier de voortreffelijkheid van de man bedoeld.

De voortreffelijkheid in het vers is van twee soorten. De eerste is aangeboren en scheppingsmatig. Dit zijn de eigenschappen waarmee de man of de vrouw opgroeit, zoals de kracht, de lichaamsbouw en het geduld van de man. Deze kunnen niet worden verworven doordat een vrouw zich erop toelegt ze te verkrijgen. Dat is vermannelijking en is verboden. Hetzelfde geldt voor een man die zich verwijfd gedraagt, zijn stem week maakt en vrouwelijk loopt. Dat is vervrouwelijking en is eveneens verboden.

De tweede soort is verworven en bestaat uit het verwerven van levensonderhoud en het financieel onderhouden. Het is een vrouw toegestaan dit te doen, maar zij is daartoe niet verplicht. Dit is de plicht van haar voogd. Heeft de vrouw geen voogd, dan ontvangt zij uit de staatskas en uit de zakāh, ook wanneer zij in staat is te werken. Zij is immers, anders dan de man, niet vanuit de Islam opgeroepen tot het verwerven van inkomsten en het verrichten van arbeid, noch is haar dit opgedragen. ʿAlī ibn Abī Ṭalḥah heeft van Ibn ʿAbbās overgeleverd dat hij zei: ‘Hij heeft hem boven haar verheven vanwege zijn financiële onderhoud en zijn inspanningen.’11 Iets soortgelijks is overgeleverd van ash-Shaʿbī en Sufyān.12

Dat Allāh in de context van het gezag (qiwāmah) de voortreffelijkheid van de man boven de vrouw vermeldt, wijst erop dat een man die de gronden van zijn gezaghebberschap niet vervult, geen gezag bezit. Die gronden bestaan uit de voorgenoemde aangeboren en verworven voortreffelijkheden.

Wie zijn aangeboren voortreffelijkheid, namelijk zijn kracht, niet inzet om voor de vrouw te zorgen en haar te beschermen tegen hetgeen gevreesd wordt, en evenmin van zijn verworven vermogen besteedt om haar te onderhouden en in haar behoeften te voorzien, bezit geen voogdij over haar. De voogdij komt dan toe aan haar vader of aan de islamitische machthebber, en als zij dat wenst, kan het huwelijk worden ontbonden, tenzij zij haar recht op financieel onderhoud jegens hem laat vallen.

Gezaghebberschap is in beginsel een recht dat de echtgenoot aan zijn echtgenote verleent tegenover een recht dat zij aan hem verleent. Er is dus sprake van wederkerigheid en een tegenprestatie. Daarom verklaarde Allāh het recht op gezaghebberschap als volgt (vert.): ‘De mannen zijn gezaghebbers over de vrouwen, omdat Allāh de een boven de ander heeft verheven en omdat zij uitgeven van hun eigendommen.’ En hoe vergevingsgezinder, inschikkelijker en goeddoender een van beiden is, hoe edeler en voortreffelijker diegene is.

9 Ongehoorzaamheid (nushūz) van de echtgenote

Nadat Allāh het gezag van de man had genoemd, noemde Hij de opstandigheid (nushūz) van de echtgenote.13 Dit wijst erop dat de opstandigheid die door de echtgenoot gecorrigeerd wordt, de opstandigheid is die ontstaat terwijl hij haar het recht dat uit zijn gezag voortvloeit volledig verleent door haar te onderhouden en te beschermen. Het gaat dus niet om opstandigheid die wordt veroorzaakt doordat hij de plichten van zijn gezag veronachtzaamt. Die opstandigheid wordt namelijk verholpen door deze plichten jegens haar na te komen en haar rechten te verlenen. […] De grondbetekenis van nushūz is verheffing. De oorzaken ervan zijn hoogmoed, minachting en afkeer. Wie zich hoogmoedig opstelt, minacht en afkeer koestert, wordt opstandig en onttrekt zich aan de gehoorzaamheid. Hiermee wordt bedoeld dat de vrouw zich onttrekt aan de gehoorzaamheid aan haar echtgenoot door zijn huwelijksbed en zijn overige rechten over haar te weigeren. Einde citaat uit at-Tafsīr wa’l-Bayān li Aḥkām al-Qurʾān.14

De voorgaande uitleg toont aan dat de man gezag (qiwāmah) en voogdij (wilāyah) over de vrouw draagt, waarbij dit gezag toekomt aan degene die aan de bijbehorende voorwaarden voldoet. De toewijzing ervan aan de man berust zowel op aangeboren eigenschappen, zoals fysieke superioriteit en specifieke karaktereigenschappen waarmee Allāh de man verheven heeft, als op verworven verdiensten, in het bijzonder het financieel onderhouden en beschermen van de vrouw. Qiwāmah is daarom geen louter privilege, maar een zware verantwoordelijkheid die berust op wederkerigheid: tegenover de rechten die de echtgenoot aan zijn echtgenote verleent, staan de rechten die zij tegenover hem vervult en haar gehoorzaamheid aan hem.

Om een specifieker beeld te krijgen van de exacte bevoegdheden en verantwoordelijkheden, kijken we naar de uiteenzettingen en exegese van de klassieke tafsīrgeleerden en wetgeleerden over dit vers.

10 De tafsīr van het vers

Muqātil ibn Sulaymān15 (150H) – een van de vroegste tafsīrgeleerden – zei in zijn Tafsīr ter uitleg van het begin van Sūrat an-Nisāʾ 4:34:

“De mannen zijn met macht bekleed (musallaṭūn) over de vrouwen.”16

Qiwāmah is dan ook een machtspositie, en niet enkel een plicht tot, bijvoorbeeld, onderhoud en bescherming zonder macht of autoriteit, zoals vandaag de dag vaak verkeerd begrepen wordt.

Al-ʾImām Ibn Jarīr aṭ-Ṭabarī (311H) zei in zijn Tafsīr:

“Allāh bedoelt met Zijn Uitspraak (vert.): ‘De mannen zijn gezaghebbers (qawwāmūn) over de vrouwen,’ het volgende: De mannen zijn degenen die het gezag dragen over hun vrouwen in het disciplineren van hen en het in bedwang houden van hen in datgene wat verplicht is voor hen tegenover Allāh en tegenover de echtgenoten.”

Vervolgens zei aṭ-Ṭabarī:

“Overgeleverd van Ibn ʿAbbās over Zijn Uitspraak: ‘De mannen zijn gezaghebbers (qawwāmūn) over de vrouwen,’ hij zei: ‘Zij zijn bevelhebbers,17 en het is verplicht voor haar om hem te gehoorzamen in datgene waartoe Allāh haar heeft bevolen om hem in te gehoorzamen.’ ”18

Ibn Abī Zamanīn al-Mālikī (399H) zei in zijn Tafsīr:

“De mannen zijn bekleed met de macht (musallaṭūn) om hen te disciplineren en hen in bedwang te houden.”19

De uitleg van aṭ-Ṭabarī en Ibn Abī Zamanīn bevestigt dat de machtspositie van qiwāmah een vorm van handhavingsbevoegdheid bevat: de man heeft de bevoegdheid om haar te disciplineren en haar tegen te houden wanneer zij afwijkt. De overlevering van de edele metgezel Ibn ʿAbbās bevestigt dat qiwāmah tevens de rol van bevelhebber omvat: de man heeft de bevoegdheid tot het geven van bevelen en instructies ten goede van de echtgenote en het gezin in het algemeen, en heeft het recht om hierin gehoorzaamd te worden.

Abū’l-Muẓaffar as-Samʿānī ash-Shāfiʿī (489H) zei in zijn Tafsīr:

“Gezaghebbers middels disciplinering. […] Qawwām is een vergaandere (taalkundige) vorm, en dat is: degene die de belangen behartigt en het bestuur voert.”20

Al-Baghawī ash-Shāfiʿī (516H) zei als commentaar in zijn Tafsīr:

“De Uitspraak van Allāh: ‘De mannen zijn gezaghebbers (qawwāmūn) over de vrouwen,’ betekent: zij zijn bekleed met de macht om hen te disciplineren. Qawwām en qayyim hebben dezelfde betekenis, maar qawwām is nog vergaander en het betekent: degene die gaat over belangenbehartiging, bestuur en disciplinering.”21

De uitleg van as-Samʿānī en al-Baghawī bevestigen dat qiwāmah naast macht, disciplinering en corrigering, tevens bestaat uit het besturen van het gezin en het behartigen van de belangen van de echtgenote. In de volgende uitleg van Ibn al-ʿArabī wordt hier gedetailleerder op ingegaan.

Ibn al-ʿArabī al-Mālikī (543H) zei in zijn Tafsir, dat zowel een exegetisch als jurisprudentiëel werk is, als commentaar op het vers:

“Men kan in het Arabisch zowel qawwām als qayyim zeggen, en deze woorden hebben de schalen faʿʿāl en fayʿil van het woord qāma (staan). De betekenis is dat de man de toezichthouder (amīn) over haar is: hij neemt de verantwoordelijkheid over haar zaak op zich en brengt haar toestand op orde. Dit is de uitleg van Ibn ʿAbbās. En zij heeft de plicht om hem te gehoorzamen.”

Hier zien we dat qiwāmah tevens de rol van toezichthouder bevat: het dragen van de verantwoordelijkheid over de zaken en toestanden van de vrouw, het regelen hiervan en het op orde brengen hiervan. Ibn al-ʿArabī gaat verder:

“De derde zaak: beide echtgenoten hebben rechten, zoals we reeds uiteengezet hebben bij Zijn Uitspraak in Sūrat al-Baqarah (vert.): ‘En de mannen hebben een graad boven hen,’22 dat wil zeggen: vanwege de voortreffelijkheid van het dragen van qiwāmah (gezag). Voor de man is het verplicht om de bruidsschat en het onderhoud te verschaffen, goed met haar om te gaan, haar af te schermen, haar te bevelen tot gehoorzaamheid aan Allāh en haar te onderrichten in de voorschriften van de Islam, zoals het gebed en het vasten, wanneer deze verplicht worden voor de moslim. Voor de vrouw is het verplicht om zijn eigendom te beschermen, goed te zijn voor zijn familie, zich te houden aan zijn bevel inzake afscherming en andere zaken behalve met zijn toestemming, en zijn woord te aanvaarden in gehoorzaamheden.”

Hier zien we dat qiwāmah tevens omvat: het geven van de bruidschat en het onderhouden van de vrouw. Dit financiële en onderhoudsgebonden deel van qiwāmah wordt in de tafsīr van het begin van het vers niet altijd aangekaart, omdat Allāh het verderop in het vers expliciet vermeldt: “De mannen zijn gezaghebbers (qawwāmūn) over de vrouwen, omdat Allāh de een boven de ander heeft verheven en omdat zij uitgeven van hun eigendommen.”

Onderhoud is dan ook een cruciaal onderdeel van qiwāmah, zodanig dat de wetgeleerden bevestigen dat als de man zijn vrouw niet onderhoudt, zijn gezagsrol van qiwāmah komt te vervallen.23

Daarnaast bevestigt Ibn al-ʿArabī nog een aantal belangrijke onderdelen van qiwāmah: goede omgang, het afschermen van de echtgenote tegen kwaad en schade, het opdragen tot gehoorzaamheid aan Allāh en het geven van islamitisch onderwijs. Tot slot zet Ibn al-ʿArabī uiteen waarom de man deze gezagspositie van qiwāmah toegewezen heeft gekregen:

“De vierde zaak: Zijn Uitspraak (vert.): ‘omdat Allāh de een boven de ander verheven heeft,’ – de betekenis is: Ik heb de qawwāmiyyah (d.w.z. qiwāmah; gezag) over de vrouw aan de man toegekend omdat Ik hem boven haar heb verheven. En dat is vanwege drie zaken.

  • De eerste: vervolmaaktheid van het verstand en het onderscheidingsvermogen.

  • De tweede: volmaaktheid qua religie en gehoorzaamheid aan Allāh inzake Jihād, het gebieden van het goede en het verbieden van het slechte in het algemeen, en dergelijke.

  • De derde: dat hij zijn bezittingen uitgeeft aan de bruidsschat en het levensonderhoud.”24

De uiteenzettingen van alle andere tafsīrgeleerden draaien rondom dezelfde betekenissen.

Ibn ʿAṭiyyah al-Mālikī (546H) zei in zijn Tafsīr:

“De Uitspraak van Allāh: ‘Qawwām’ heeft de taalkundige schaal van faʿʿāl, wat een vergaande vorm is. Het is afgeleid van het houden van toezicht over een zaak, het zelfstandig voeren van het beheer erover en het beschermen ervan middels inspanning. Het toezicht van de man over de vrouwen is vanuit deze betekenis. De motivering hiervoor (in het vers) vanuit voortreffelijkheid (faḍīlah) en onderhoud (nafaqah) betekent dat de mannen een bepaalde mate van macht en bezit over hen dragen. Ibn ʿAbbās zei: ‘De mannen zijn de bevelhebbers over de vrouwen.’ En dit is wat de uitleggers van de Qurʾān gezegd hebben.”25

Ibn Rizqillāh ar-Rasʿafī al-Ḥanbalī (661H) zei in zijn Tafsīr:

“De betekenis is: De mannen zijn bekleed met het beheer, de zeggenschap en de macht tot het disciplineren en vormen van de vrouwen op basis van de waarheid.”26

Ibn Kathīr ash-Shāfiʿī (774H) zei als commentaar in zijn Tafsīr:

“Allāh zei: ‘De mannen zijn gezaghebbers (qawwāmūn) over de vrouwen,’ wat betekent: De man is de gezagsdrager over de vrouw, en dat wil zeggen: hij is haar leider, haar meerdere, degene die over haar regeert en degene die haar disciplineert wanneer zij afwijkt.”27

Shaykh al-ʾIslām Ibn Taymiyyah al-Ḥanbalī zei in Majmūʿ al-Fatāwā:

“De Uitspraak van Allāh (vert.): ‘De rechtschapen vrouwen zijn dan ook toegewijd gehoorzaam, wakend over de afwezigheid (van hun echtgenoot) met wat Allāh beschermd heeft,’28 duidt op de plicht voor de vrouw om haar echtgenoot te gehoorzamen in de absolute zin: in het dienen (khidmah), het met hem meereizen, het zich beschikbaar stellen aan hem en andere zaken, zoals ook de Sunnah van de Profeet ﷺ hierop duidt in de overlevering over de rode berg en de neerknieling en dergelijke, net zoals het feit dat het verplicht is om de ouders te gehoorzamen. En de ouders hebben geen recht meer op haar gehoorzaamheid, want die gehoorzaamheid was verplicht vanuit de familieband, terwijl deze gehoorzaamheid (aan de echtgenoot) verplicht is vanuit het contract.”29

Al-Buhūtī al-Ḥanbalī zei in Kash·shāf al-Qināʿ:

“Het recht van de echtgenoot over haar is groter dan haar recht over hem, vanwege Zijn Uitspraak (vert.): ‘En de mannen hebben een gradatie boven hen.’ ”30 31

In andere verzen wordt tevens verwezen naar deze qiwāmah. Allāh zei in Sūrat al-Baqarah (vert.): “En de mannen hebben een gradatie boven hen.”32 Ibn Kathīr zei erover in zijn Tafsīr: “Zijn Uitspraak: ‘En de mannen hebben een gradatie boven hen.’ Dit betekent: in de voortreffelijkheid van karakter, rang, de gehoorzaamheid van hun bevel, het financieel onderhouden (van de vrouwen), het behartigen van de belangen en de deugd in het wereldse en het Hiernamaals, zoals Allāh zei (vert.): ‘De mannen zijn gezaghebbers (qawwāmūn) over de vrouwen, omdat Allāh de een boven de ander heeft verheven en omdat zij uitgeven van hun eigendommen.’ ”33 34

Ook zei Allāh in Sūrat Yūsuf (vert.) over het verhaal van Yūsuf en de echtgenote van al-ʿAzīz (vert.): “…en zij troffen haar meester (sayyid) bij de deur.”35 Ibn Kathīr zei erover: “Vervolgens troffen zij haar meester – en dat is haar echtgenoot – bij de deur.” Dit duidt erop dat de echtgenoot een positie van gezag en macht heeft over zijn echtgenote, waar zowel grote bevoegdheden en rechten als grote verantwoordelijkheden en plichten bij horen.

11 Bewijzen uit de Sunnah

  1. In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim is overgeleverd van Ibn ʿUmar dat de Boodschapper van Allāh ﷺ zei:

“Let op: eenieder van jullie is een hoeder en eenieder van jullie is verantwoordelijk voor degenen onder zijn hoede. De bevelhebber over de mensen is een hoeder en hij is verantwoordelijk voor degenen onder zijn hoede. De man is een hoeder over zijn gezin en hij is verantwoordelijk voor hen. De vrouw is een hoeder over het huis van haar echtgenoot en zijn kinderen, en zij is verantwoordelijk voor hen. De slaaf is een hoeder over het eigendom van zijn meester en hij is verantwoordelijk ervoor. Let op, eenieder van jullie is dus een hoeder en eenieder van jullie is verantwoordelijk voor degenen onder zijn hoede.”36

Deze overlevering bevestigt de rol van hoeder als onderdeel van qiwāmah. De hoeder over een groep is verantwoordelijk voor hun toestand, hun veiligheid, hun zaken, hun onderhoud en hun belangen.

  1. In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim is overgeleverd van Abū Hurayrah dat de Boodschapper van Allāh ﷺ zei:

“Het is niet toegestaan voor een vrouw om (vrijwillig) te vasten terwijl haar echtgenoot aanwezig is behalve met zijn toestemming, en zij mag geen toestemming geven tot (het binnentreden van) zijn huis behalve met zijn toestemming…”37

  1. In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim is overgeleverd van Abū Hurayrah dat de Boodschapper van Allāh ﷺ zei:

“Als een man zijn vrouw naar zijn bed roept, waarop zij weigert om te komen, dan vervloeken de engelen haar totdat zij de ochtend ingaat.”38

En in Ṣaḥīḥ Muslim van Abū Hurayrah dat de Boodschapper van Allāh ﷺ zei:

“Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, er is geen man die zijn vrouw naar haar bed roept, waarop zij weigert, behalve dat Degene Die boven de hemel is woedend op haar is totdat hij (d.w.z. de echtgenoot) tevreden over haar is.”

  1. In Sunan Abī Dāwūd is overgeleverd dat de Boodschapper van Allāh ﷺ zei:

“Doe het niet.39 Als ik iemand zou bevelen om neer te knielen voor iemand, dan had ik de vrouwen bevolen om neer te knielen voor hun echtgenoten,40 vanwege het recht dat Allāh aan hen (d.w.z. de mannen) over hen (d.w.z. de vrouwen) heeft toegekend.”41

En in Sunan Ibn Mājah en Musnad Aḥmad is overgeleverd dat de Boodschapper van Allāh ﷺ een soortgelijke uitspraak deed over de neerknieling en vervolgens zei hij:

“[…] En als een man zijn vrouw zou bevelen om (iets) te verplaatsen van een rode berg naar een zwarte berg en van een zwarte berg naar een rode berg, dan zou het haar plicht zijn om het te doen.”42

Zie het citaat van Ibn Taymiyyah onder het volgende kopje. Dit bevestigt de rol van leider en bevelhebber als onderdeel van qiwāmah, evenals het recht op gehoorzaamheid.

  1. In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim is overgeleverd van ʿĀʾishah dat Hind bint ʿUtbah zei:

“O Boodschapper van Allāh, Abū Sufyān is een gierige man. Hij geeft mij niet genoeg voor mijzelf en mijn kinderen, behalve wat ik van hem neem zonder dat hij het weet.” Hierop zei de Profeet ﷺ: “Neem wat genoeg is voor jou en jouw kinderen naar gelang wat redelijk is.”43

  1. In Ṣaḥīḥ Muslim is overgeleverd van Jābir dat de Boodschapper van Allāh ﷺ zei in zijn preek tijdens de afscheidsbedevaart:

“Vrees Allāh inzake de vrouwen, want jullie hebben hen genomen onder de bescherming van Allāh en jullie hebben hun geslachtsdelen toegestaan gemaakt middels het Woord van Allāh. En jullie recht over hen is dat zij niet iemand die jullie hekelen toelaten tot jullie bedden. Als zij dat (wel) doen, sla hen dan met een slag die niet hevig is. En hun recht over jullie is dat jullie hen voorzien in levensonderhoud en kleding naar gelang wat redelijk is.”44

  1. In Jāmiʿ at-Tirmidhī is overgeleverd dat de Boodschapper van Allāh ﷺ zei in zijn preek tijdens de afscheidsbedevaart:

“Let op, wees opgedragen tot het goede tegenover de vrouwen, want zij zijn slechts gevangenen bij jullie – jullie hebben geen macht over hen buiten dat, tenzij ze komen met een duidelijke daad van verdorvenheid (fāḥishah). Als zij dat doen, vermijd hen dan in de bedden en sla hen met een slag die niet hevig is. Als zij jullie vervolgens gehoorzamen, zoek dan geen weg tegen hen. Let op, voorwaar, jullie hebben rechten over jullie vrouwen, en jullie vrouwen hebben rechten over jullie. Wat betreft jullie recht over jullie vrouwen, dat is dat zij niet iemand die jullie hekelen toelaten tot jullie bedden en zij geen toestemming tot jullie huizen geven aan iemand die jullie hekelen. Let op, en hun recht over jullie is dat jullie goed voor hen zijn inzake het kleden en voeden van hen.”45

Deze overleveringen bevestigen de rol van onderhouder, zorgdrager, leider, disciplineerder, opvoeder en handhaver als onderdeel van qiwāmah, evenals de goede behandeling voor de vrouw en het recht op gehoorzaamheid voor de man.

  1. In o.a. Jāmiʿ at-Tirmidhī is overgeleverd van ʿĀʾishah dat de Boodschapper van Allāh ﷺ zei:

“De beste van jullie is de beste van jullie voor zijn echtgenote, en ik ben de beste van jullie voor mijn echtgenote.”46

  1. In Musnad Aḥmad is overgeleverd dat de Boodschapper van Allāh ﷺ zei:

“Als een vrouw haar vijf (gebeden) bidt, haar maand vast, haar geslachtsdeel bewaakt en haar echtgenoot gehoorzaamt, dan zal er tegen haar gezegd worden: ‘Treed het Paradijs binnen vanuit welke van de poorten van het Paradijs je maar wil.’ ”47

  1. In o.a. Musnad Aḥmad is overgeleverd dat de Boodschapper van Allāh ﷺ zei:

“De beste der vrouwen is degene die hem (d.w.z. de echtgenoot) verblijdt wanneer hij [naar haar] kijkt, die hem gehoorzaamt wanneer hij beveelt en die niet tegen hem ingaat inzake haarzelf noch inzake haar eigendom op een manier die hij hekelt.”48

De voorgenoemde overleveringen duiden allen op de positie van qiwāmah (gezag) voor de echtgenoot in het huwelijk, en dat deze bestaat uit zowel bevoegdheden als verantwoordelijkheden.

12 Qiwāmah begrepen uit de voorgenoemde tekstuele bewijzen en citaten

Uit de voorgenoemde verzen, overleveringen en citaten van de geleerden kunnen de volgende punten worden afgeleid met betrekking tot qiwāmah:

  • Allāh bevestigt expliciet dat qiwāmah (gezag) in het huwelijk bij de man ligt.

  • Qiwāmah (gezag) is een verzamelbegrip waaronder op grond van de taalkundige betekenis, samengenomen met de rest van het vers en andere bewijzen, verschillende zaken worden geschaard – zowel bevoegdheden als verantwoordelijkheden.

  • Uit de taalkundige betekenis is te onttrekken dat leiden en besturen (siyādah), beslissingen nemen (ʿazm), corrigeren en op orde brengen (iṣlāḥ), beschermen (muḥāfaẓah) en zorg dragen (takafful) voor de behoeften van de vrouw, zowel qua bestuur (tadbīr) als qua onderhoud (muʾnah), allen onderdeel zijn van qiwāmah.49

  • Allāh bevestigt dat dit gezag aan de man toegewezen is vanwege de eigenschappen waarmee hij zich onderscheidt (intrinsieke eigenschappen), maar ook vanwege het uitgeven van zijn bezit (verkregen eigenschappen). Het onderhouden van de vrouw is dus onderdeel van qiwāmah en een van de primaire redenen ervan.

  • Allāh beschrijft de rechtschapen vrouwen als qānitāt, d.w.z. toegewijd gehoorzaam aan hun echtgenoot. Bevelen en recht op gehoorzaamheid zijn dus onderdeel van qiwāmah.

  • Allāh bevestigt de bevoegdheid tot disciplinering voor de man, opgevolgd door: “Als zij jullie vervolgens gehoorzamen, zoek dan geen weg tegen hen.” Dit betekent dat gehoorzaamheid verplicht is. Disciplineren en recht op gehoorzaamheid zijn dus onderdeel van qiwāmah.

  • De Boodschapper van Allāh ﷺ bevestigt in meerdere overleveringen dat de qiwāmah van de man bestaat uit leiderschap, bestuur, recht op gehoorzaamheid en disciplinering, maar ook uit zorg, bescherming, onderhoud – zowel financieel als qua huisvesting, kleding en voedsel – en goede behandeling.

In meerdere overleveringen van de Profeet ﷺ staat de gehoorzaamheid van de vrouw aan de man en het onderhoud van de man voor de vrouw centraal. Dit duidt op een belangrijk principe: de bevoegdheden van leiding en bestuur evenals de verantwoordelijkheden van beschermen en corrigeren kunnen immers niet uitgevoerd worden door de man zonder gehoorzaamheid van de vrouw, en omgekeerd kan de vrouw haar plicht om de man te gehoorzamen en zich aan zijn leiding te onderwerpen niet uitvoeren zonder zijn fysieke bescherming, financieel onderhoud, huisvesting, zorg en belangenbehartiging.

Samenvattend kan worden gezegd dat qiwāmah neerkomt op twee omvattende begrippen: één omvattende bevoegdheid, namelijk bestuur (leiden, bevelen, beslissingen nemen, beheer voeren, zaken regelen, disciplineren en corrigeren); en één omvattende verantwoordelijkheid, namelijk zorg (financieel onderhoud, huisvesting, kleding, voedsel en overige materiële behoeften, bescherming, onderwijs, belangenbehartiging, en goede behandeling). Hieronder staat een tabel ter samenvatting (sommige begrippen kunnen elkaar overlappen).

Qiwāmah (gezag)

Bestuursbevoegdheid

Zorgverantwoordelijkheid

  • leiding voeren

  • Bevelen en instructies geven

  • Beslissingen nemen

  • Zakenbeheer

  • Handhaving; disciplinering; corrigering

  • Bewaken van religieuze grenzen

  • Onderhoud (huisvesting, kleding, voeding, enz.)

  • Bescherming

  • Begeleiding

  • Onderwijs

  • Belangenbehartiging; zaken regelen

  • Behoeften vervullen

  • Goede omgang

Voor de vrouw staat daartegenover dat zij zich schikt aan dit gezag door middel van gehoorzaamheid en navolging als het gaat om de bestuursbevoegdheid: het gehoorzamen van de leiding, de instructies en de bevelen, het zich onderwerpen aan de beslissingen en het beheer, het accepteren van de handhaving, het handelen naar de disciplinering en corrigering. Dit kan samengevat worden middels twee omvattende begrippen: gehoorzaamheid en acceptatie.

13 Qiwāmah als verlichting, vergemakkelijking en ontlasting voor de vrouw

Als gevolg van het voorgaande geniet de vrouw alle voordelen van de zorgverantwoordelijkheid die de man vanuit zijn gezagspositie draagt: zij wordt onderhouden, beschermd, zowel fysiek als emotioneel, begeleid en onderwezen; haar belangen worden behartigd, haar behoeften worden vervuld, haar zaken worden geregeld en zij ontvangt een goede en liefdevolle behandeling.

Maar daar blijft het niet bij. De vrouw wordt ook ontlast van taken en bevoegdheden die tegen haar vrouwelijkheid ingaan en binnen haar feminiene aard stress en onrust veroorzaken. Ze hoeft niet na te denken over financiële zaken, hoeft niet de grote verantwoordelijkheid van het leiden en besturen te dragen, hoeft zich geen zorgen te maken over beslissingen en de gevolgen daarvan en hoeft zich niet bezig te houden met het beheren en regelen van zaken.

Qiwāmah zorgt er dan ook voor dat de vrouw volledig tot rust kan komen in haar vrouwelijkheid en zich vanuit haar beschermde feminiene positie kan ontplooien. Termen als gehoorzaamheid, onderwerping, acceptatie, overgave en navolging worden tegenwoordig, onder invloed van het feminisme, vaak geassocieerd met onderdrukking en onrecht. Vanuit islamitisch perspectief en in de praktijk blijkt echter het tegenovergestelde: de genoemde concepten bieden de vrouw juist rust en ontlasting.

Tegelijkertijd worden de bevoegdheden die voortvloeien uit qiwāmah vaak beschouwd als louter lusten zonder lasten voor de man, terwijl zowel vanuit islamitisch perspectief als in de praktijk het tegenovergestelde het geval is. Leiden, bevelen, instrueren, beslissen, beheren, handhaven, disciplineren, corrigeren, onderhouden, zorg dragen, beschermen, begeleiden en belangen behartigen zijn stuk voor stuk zware taken die onder qiwāmah vallen en waaraan een grote verantwoordelijkheid verbonden is.

14 Afsluitend

Uiteindelijk kan qiwāmah alleen juist worden begrepen wanneer bevoegdheid en verantwoordelijkheid samen worden bezien. Het is enerzijds geen vrijbrief voor willekeur of onderdrukking, maar anderzijds evenmin uitsluitend een plicht tot zorg, zoals het onder invloed van feministische denkbeelden vaak wordt gereduceerd. Qiwāmah omvat daadwerkelijk gezag en de bevoegdheid om het gezin te leiden, besluiten te nemen en de juiste orde te handhaven. Tegelijkertijd is de uitoefening van dit gezag onlosmakelijk verbonden met rechtvaardigheid, goede behandeling, onderhoud en bescherming. Over de vervulling van deze verantwoordelijkheden zal de man tegenover Allāh rekenschap afleggen, zoals ook de vrouw rekenschap zal afleggen over haar gehoorzaamheid en de vervulling van de rechten van haar echtgenoot. Alleen wanneer beide zijden in samenhang worden bezien, ontstaat een evenwichtig en genuanceerd begrip van de islamitische rolverdeling tussen man en vrouw.


  1. Sūrat an-Nisāʾ 4:34.↩︎

  2. Al-Qāmūs al-Muḥīṭ (2/1517; al-Fayrūzʾābādī); al-Muʿjam al-Wasīṭ (2/768); Qiwāmat ar-Rajul wa Atharuhā ʿalāl-Marʾah (p. 47; Asmāʾ bint ʿAbd al-Jalīl).↩︎

  3. Lisān al-ʿArab (12/497).↩︎

  4. Het concept van qiwāmah in de Islam bestaat ook buiten het huwelijk, zoals de qiwāmah van de vader over zijn dochter en dergelijke. De begrippen qiwāmah (gezag) en wilāyah (voogdij) zijn dan ook overlappend.↩︎

  5. Qiwāmat ar-Rajul fīl-Madhāhib al-ʾArbaʿah (p. 8; ʿAlāʾ Ibrāhīm ʿAbd ar-Raḥīm)↩︎

  6. Saḥīḥ al-Bukhārī (81) en Saḥīḥ Muslim (2671).↩︎

  7. Sūrat an-Nisāʾ 4:34.↩︎

  8. Tafsīr aṭ-Ṭabarī (6/687); Tafsīr Ibn Abī Ḥātim (3/939).↩︎

  9. Tafsīr aṭ-Ṭabarī (6/687).↩︎

  10. Sūrat an-Nisāʾ 4:32↩︎

  11. Tafsīr aṭ-Ṭabarī (6/687); Tafsīr Ibn Abī Ḥātim (3/939).↩︎

  12. Tafsīr aṭ-Ṭabarī (6/690); Tafsīr Ibn Abī Ḥātim (3/940).↩︎

  13. “En degenen van wie jullie opstandigheid vrezen, vermaan hen dan…” (Sūrat an-Nisāʾ 4:34).↩︎

  14. At-Tafsīr wa’l-Bayān li Aḥkām al-Qurʾān (2/823-828; aṭ-Ṭarīfī).↩︎

  15. Muqātil ibn Sulaymān al-Balkhī (150H); een van de vroegste autoriteiten op het gebied van Qurʾānische exegese (tafsīr).↩︎

  16. Tafsīr Muqātil ibn Sulaymān (bij 4:34).↩︎

  17. In het Arabisch: umarāʾ, meervoud van amīr (bevelhebber).↩︎

  18. Jāmiʿ al-Bayān (bij 4:34; aṭ-Ṭabarī).↩︎

  19. Tafsīr al-Qurʾān al-ʿAzīz (bij 4:34; Ibn Abī Zamanīn).↩︎

  20. Tafsīr al-Qurʾān (bij 4:34; as-Samʿānī).↩︎

  21. Maʿālim at-Tanzīl (bij 4:34; al-Baghawī).↩︎

  22. Sūrat al-Baqarah 2:228.↩︎

  23. Tafsīr al-Qurṭubī (bij 4:34); Aḥkām al-Qurʾān (bij 4:34; aṭ-Ṭarīfī).↩︎

  24. Aḥkām al-Qurʾān (bij 4:34; Ibn al-ʿArabī).↩︎

  25. Al-Muḥarrar al-Wajīz (bij 4:34; Ibn ʿAṭiyyah).↩︎

  26. Rumūz al-Kunūz fī Tafsīr al-Kitāb al-ʿAzīz (p. 494; ar-Rasʿafī).↩︎

  27. Tafsīr al-Qurʾān al-ʿAẓīm (bij 4:34; Ibn Kathīr).↩︎

  28. Sūrat an-Nisāʾ 4:34.↩︎

  29. Majmūʿ al-Fatāwā (32/270).↩︎

  30. Sūrat al-Baqarah 2:228.↩︎

  31. Kash·shāf al-Qināʿ (12/67; al-Buhūtī).↩︎

  32. Sūrat al-Baqarah 2:228.↩︎

  33. Sūrat an-Nisāʾ 4:34.↩︎

  34. Tafsīr al-Qurʾān al-ʿAẓīm (bij Sūrat al-Baqarah 2:228; Ibn Kathīr).↩︎

  35. Sūrat Yūsuf 12:25.↩︎

  36. Saḥīḥ al-Bukhārī (893); Saḥīḥ Muslim 1829).↩︎

  37. Saḥīḥ al-Bukhārī (5195); Saḥīḥ Muslim (1026).↩︎

  38. Saḥīḥ al-Bukhārī (5193); Saḥīḥ Muslim (1436).↩︎

  39. D.w.z. neerknielen voor de Profeet ﷺ.↩︎

  40. Uit respect (en niet als aanbidding), maar ook de neerknieling uit respect of groeting is verboden in onze Sharīʿah, zoals duidelijk te zien is in deze overlevering.↩︎

  41. Sunan Abī Dāwūd (2140); Musnad ad-Dārimī (1504); Mustadrak al-Ḥākim (2763). Authentiek (saḥīḥ) verklaard door as-Suyūṭī in al-Jāmiʿ aṣ-Ṣaghīr (7464).↩︎

  42. Sunan Ibn Mājah (1852); Musnad Aḥmad (24471). Ash-Shawkānī zei in Nayl al-ʾAwṭār (3/360): “Het bevat ʿAlī ibn Zayd ibn Jadʿān over wie discussie bestaat, en de rest van de keten bestaat uit overleveraars van aṣ-Saḥīḥ (al-Bukhārī en/of Muslim). En de overlevering kent ondersteunende overleveringen waardoor het sterk (qawī) is.”↩︎

  43. Saḥīḥ al-Bukhārī (5364); Saḥīḥ Muslim (1714).↩︎

  44. Saḥīḥ Muslim (1218).↩︎

  45. Jāmiʿ at-Tirmidhī (1163); Sunan Ibn Mājah (1851). De overlevering werd tot goed (ḥasan) verklaard door al-ʾAlbānī in Saḥīḥ at-Tirmidhī (1163).↩︎

  46. Jāmiʿ at-Tirmidhī (3895); Musnad ad-Dārimī (2260); Saḥīḥ Ibn Ḥibbān (4177). Authentiek (ṣaḥīh) verklaard door al-ʾAlbānī in Saḥīḥ at-Tirmidhī (3895).↩︎

  47. Musnad Aḥmad (1661); Saḥīḥ Ibn Ḥibbān (4163); al-Muʿjam al-ʾAwsaṭ (8805; aṭ-Ṭabarānī). De geleerden verschillen over de authenticiteit ervan. De overlevering werd tot authentiek (saḥīḥ) verklaard door al-ʾAlbānī in o.a. Saḥīḥ al-Jāmiʿ (660) en door Shuʿayb al-ʾArnāʾūṭ in de redactie van Saḥīḥ Ibn Ḥibbān (4163), maar Aḥmad Shākir zei in zijn redactie van Musnad Aḥmad (3/128): “De keten is naar mijn inzien onderbroken (munqaṭiʿ).”↩︎

  48. Musnad Aḥmad (2/251, 432, 438); Mustadrak al-Ḥākim (2682), die erover zei: “Het is authentiek (saḥīḥ) volgens het criterium van Muslim.” Tevens authentiek (saḥīḥ) verklaard door al-ʾAlbānī in as-Silsilah aṣ-Saḥīḥah (4/453).↩︎

  49. Al-Qiwāmah fī’l-ʾIslām: Ḥaqīqatuhā wa Āthāruhā (p. 7; ʿAzzām al-Fawzān).↩︎

Citeer als

Licentie
CC BY 4.0